Mijn moeder zei nog

 

Mijn moeder zei nog, een portret van Remco Outhuijse, is werk dat Bianca Sistermans maakte in het kader van Aanpak Eenzaamheid van de stad Amsterdam. Samen met Tabo Goudswaard en beeldend kunstenaars: Hester van Hasselt, Domenique Himmelsbach De Vries, Pieter Kusters, Silvia Russel diende Bianca Sistermans het project Hier besta ik | Kunstenaars portretteren eenzaamheid in. Dit project werd gehonoreerd door Aanpak Eenzaamheid
De vijf kunstenaars gingen ieder gedurende drie maanden een verbinding aan met een eenzame Amsterdammer. Buurtwerker Anne Jacobse zorgde voor de koppeling. Tijdens de samenwerkingsperiode bespraken zij wezenlijke kwesties als sterfelijkheid, het zoeken naar zingeving en naar verbinding. Op basis van deze ontmoetingen maakten de kunstenaars een portret van deze eenzame Amsterdammers. Tekeningen, schilderijen, fotografie, een verhaal.
De portretten hebben een blijvend karakter en functioneren als een bekrachtiging op existentieel niveau: Ik zie u echt, ik zie dat u bestaat, hier en nu.

Sistermans werd door Anne Jacobse gekoppeld aan Remco Outhuijsen en naar aanleiding van haar ontmoetingen met Remco is ze in eerste instantie gaan schrijven. In een later stadium is ze ook gaan fotograferen. Het uiteindelijk portret dat Sistermans van Remco maakte is samengebracht in het boekje: Mijn moeder zei nog, bestaande uit drie stillevens en drie verhalen. Het eerste verhaal is hieronder te lezen.


Mijn moeder zei nog: ‘Pas je wel op!’

Remco is bijna 21 jaar en werkt als loodgieter. Op 5 april 1995 is er een landelijke bouwstaking. Hierdoor kan hij niet op de bouwplaats werken en stuurt zijn baas hem naar een onbekende, particuliere locatie in de stad. ‘Ik rij wel even naar huis voor het stratenboekje,’ zegt Remco. Thuis zoekt hij het adres op. Als Remco weer de deur uitgaat zegt zijn moeder: ‘Pas je wel op?’ Remco antwoord: ‘Ik loop niet in zeven sloten tegelijk.’

Remco, enig kind, kwam na zes en een halve maand ter wereld. Hij bracht de eerste twee jaar van zijn leven vooral slapend door. Bij zijn geboorte was Remco zo klein dat hij op de hand van zijn vader paste. Zijn vader waar hij zo dik mee was, vier handen op een buik, die hem enorm steunde en waarmee nu, althans voor dit moment, het contact verbroken is.

Als kleine jongen klom Remco in de hoogste bomen, over hekken en over balkons. Aan Nederlands, Engels, Wiskunde, Natuurkunde en Maatschappijleer had hij een hekel. Hij spijbelde met steeds grotere regelmaat, waardoor hij met de leerplichtambtenaar in aanraking kwam. Deze liet hem uiteindelijk vroegtijdig gaan omdat hij bijna achttien was.

Via het Arbeidsbureau vond Remco werk. Remco kreeg drie keer uitstel voor zijn militaire dienstplicht, maar moest uiteindelijk toch in dienst. Tijdens zijn eerste maand in dienst gingen ze op bivak. Het vroor tien graden terwijl Remco en zijn dienstmaten twee aan twee in een tentje lagen. Bij een boer hebben ze hooi gejat en daar hun tenten mee volgepropt, in de hoop het een beetje warm te krijgen. Een half jaar later gingen ze weer op bivak, maar nu vlakbij Nijmegen. ‘Leuk stadje zeker als het WK aan de gang is.’ Ze gingen elke avond stappen, gaven veel geld uit en overdag bouwden ze de tenten voor de vierdaagse op. Het was bloedheet en telkens als Remco zijn legerbroek oprolde, moest die weer naar beneden van de generaal. Het mooie weer hield aan. Hij werd het zat. Een week later belde hij op dat hij ziek was. Remco bracht zijn dagen vooral feestend door in de caravan van zijn ouders in Overijssel. Dat verhaal heeft hij drie maanden vol kunnen houden, totdat het echt lastig werd met de militaire politie. Net als de leerplichtambtenaar heeft ook de militaire politie Remco uiteindelijk zes weken voordat zijn tijd erop zat laten gaan. Tussen het feesten door werkte hij zo nu en dan voor zijn baas in Amsterdam. Zijn moeder zei regelmatig: ‘Moet je niet een beetje sparen, jongen.’ Hij is blij dat hij dat nooit heeft gedaan.

Op 5 april staat Remco op een kruispunt, er staat een blauw, rond verkeersbord waar hij net niet overheen kan kijken om te zien of er iets aankomt. Hierdoor komt Remco te ver naar voren met zijn brommer en een moment later vliegt hij door de lucht, raakt de voorruit, en komt op zijn rug terecht. ‘Ik wilde me met mijn armen opdrukken, maar dat lukte niet. Toen ik het met mijn benen wilde proberen lukte ook dat niet. Een agent, die vlak achter de automobiliste reed was meteen ter plekke en heeft tien minuten mijn hoofd vastgehouden. Dat leek wel twee uur. Ik was met mijn hoofd tegen de voorruit van die auto terechtgekomen’.

Remco brak zijn nek, twee nekwervels werden verbrijzeld. Verder had hij slechts een schrammetje op zijn been.

‘Op 5 april ging ik naar de Intensive Care, op 21 mei 1995 ging ik naar het revalidatiecentrum en op 7 september 1998 verliet ik het revalidatiecentrum, met een ijzeren plaatje in
mijn nek inclusief zes schroeven en een hoge dwarslaesie.’

‘In het begin leef je in een gigantische roes, ik dacht: ik ga gewoon weer lopen. Dan bewoog mijn teen en zei ik: “Zie je, zie je”. Of als mijn vinger een halve centimeter bewoog riep ik: “Kijk ik kan mijn vinger weer bewegen,” maar dat waren gewoon spasmen. Ik was ook boos op mezelf op alles en iedereen. Dan kwamen verplegers de kamer binnen en vroeg ik: “Wat komen jullie doen?” “We komen je wassen” en dan riep ik: “Ik dacht het niet!” Je hebt een dwarslaesie, maar je bent ook in een klap al je privacy kwijt’.

‘Het duurde maanden, een jaar voordat ik doorkreeg dat het echt ernstig was en dat ik besefte: dit komt niet meer goed. Het heeft daarna nog een paar jaar geduurd voordat ik over dat besef heen was. Gelukkig heb ik altijd zin gehad in het

leven, je moet toch positief blijven anders red je het niet’.